Menu
nlenfrde

Geld verslinden in directe mate, doch ook indirect, de werkgelegenheid beschermend boven dat van het kind-in-interactie-met-familie...


Kan de jeugdzorg wel gezondheidszorg aan?

VN-kinderrechtenverdrag, artikel 24 (IVRK)Lid 1. De Staten die partij zijn, {ook Nederland,} erkennen het recht van het kind op het genot van de gróótst mógelijke máte van {ook pedagogische en psychische}  gezondheid èn op voorzíéningen voor de behandeling van {die} ‘ziekte’ en het herstel van die gezondheid. De Staten die partij zijn, streven ernaar te wáárbòrgen dat géén enkel kind zijn of haar recht op tóégang tot deze voorzíéningen voor gezondheidszorg wordt ònthouden.

Kinderen hebben recht op echte diagnostiek en daarop gebaseerde hulptrajecten met gedegen voorlichting aan hun ouders.

Er moet dus juist gemeten kunnen worden.

In tegenstelling tot de gezondheidszorg interviewt de jeugdzorgwerker of jeugdbeschermer niet verantwoord diagnostisch, zo zonder diagnostische bevoegdheid. Toch is het essentieel dat dit door diagnostisch bevoegden, specialisten, wordt gedaan conform hun beroepscode (dus niet een gedragswetenschapper die adviseert op basis van wat een ondeskundige kàn en wìl inbrengen).

We citeren uit: https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fpsyg.2020.546187/full (C. de Ruiter e.a.):

“Kennis van het geheugen van kinderen en forensische interviewvaardigheden zijn cruciaal bij onderzoeken naar kindermishandeling.”  
“Blijkbaar bestaan bij veel [jeugdzorg]professionals misvattingen, die waarschijnlijk gevolgen hebben voor hun ‘professionele’ handelen en voor de beslissingen  die zij nemen in deze complexe  echtscheidingszaken.  Omdat de professionals niet over de juiste kennis beschikken en handelen vanuit onjuiste veronderstellingen, kunnen zij onbedoeld ernstige  schade  aanrichten  bij kinderen  in conflictscheidingsgezinnen.
"Professionals zijn, als alle mensen, vatbaar voor confirmatory bias, dat is de neiging om alleen naar informatie te zoeken die hun oorspronkelijke idee/hypothese bevestigt.
"Zonder accurate kennis over de prevalentie van partnergeweld en kindermishandeling bij conflictscheidingen, {en zònder de mogelijkheden die de jeugdbescherming heeft door te verwijzen naar specialisten die geen beschuldigende gegevens dienen te verkrijgen, en zònder  de mogelijkheden in https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/omgangssabotage-g-i }, zal de professional het belang van feitenonderzoek naar deze vormen van huiselijk geweld bij conflictscheidingsgezinnen onderschatten en er geen rekening mee houden in de besluitvorming.  Confirmatory bias  zorgt ervoor dat diezelfde professional vervolgens [g]een ‘bewijs’ voor mishandeling of geweld ziet.
 

Hieruit lezen we dat zeker bij complexe cases de jeugdzorgketen niet de aangewezene is voor het bepalen van een hulptraject.  ‘Valse herinneringen’ zijn niet wat men een kind toewenst, waar dit ook tot wegplaatsen kan leiden. Het ‘bewijs’ van een jeugdzorgprofessional is dus bij zaken die tot een beschermingsmaatregel leiden dubieus en kunnen tot schade leiden, zoals we zullen zien.

Bevestiging:

Klinisch psycholoog Femy Wanders van Accare  en gebiedsmanager RvdK Robert Vonk zien dat hulp anders verstrekt moet worden om “institutionele kindermishandeling”, dat Wanders “professionele kindermishandeling” noemt, te voorkomen. Het EHRM sprak in 2019 in een arrest ook daarvan. Het gezin moet betrokken worden, met goede therapeutische voorlichting. Een beschermingsmaatregel heeft niet de voorkeur.

In het Promotieonderzoek  van Sabine van der Asdonk, 15-09-2020, staat ook de noodzaak tot een [diagnostieke] interventie vòòr de beslissing: “Omdat we beargumenteren dat het implementeren van een gehechtheidsinterventie in het beslisproces de kwaliteit van uithuisplaatsingsbeslissingen kan verbeteren, hebben we de effectiviteit van een dergelijke procedure onderzocht. We hebben in één studie gevonden dat het toevoegen van informatie over de vooruitgang die ouders lieten zien na een gehechtheidsinterventie kan bijdragen aan een verhoogde betrouwbaarheid van uithuisplaatsingsbeslissingen.”

Ze adviseren om vòòraf aan een beschermingsbesluit tot een maatregel eerst [bijvoorbeeld]  een [diagnostieke en voorlichtende] gehechtheidsinterventie te doen. Daarmee kan een beschermingsmaatregel voorkomen worden.

Volgens dat onderzoek van De Ruiter c.s. is het indiceren door jeugdzorgprofessionals, wat geen diagnosticeren is, zo risicovol dat diagnosticeren naar beroepscode door een specialist vele ‘valse positieven’ kan vermijden.  “Onze bevindingen zijn zorgwekkend  omdat de werknemers van Veilig Thuis de eerstelijns jeugdzorgprofessionals zijn die kinderen interviewen over een vermeende ervaring met misbruik.”  De RvdK en de G.I. doen daarop niet zelfstandig gekwalificeerd onderzoek, zodat valse positieven het dossier vervuilen.

Raadsheer Van Teeffelen vond als één van diens knelpunten dat er veel oud knip- en plakwerk in jeugdzorgrapportages staan (FJR2010/92).

De recente wetenschappen nopen tot degelijker onderzoek:

Heel de beschermingsketen heeft recente  wetenschappelijke  inzichten  verkregen ter implementatie, doch dit zien we niet terug in het recente beleid.

Waar de jeugdzorg werkt zonder dat een specialist zèlf het cliëntsysteem ziet en onderzoekt, blijkt uit wetenschappelijk inzicht dat het ene wetenschappelijk collectief vindt dat bij beslissingen tot wegplaatsen van een kind er (eerst) een diagnostischer interventie moet plaatsvinden om schade te voorkomen en mogelijk een beschermingsmaatregel kan worden voorkomen, en anderzijds werd gevonden dat jeugdzorgprofessionals te ondeskundig zijn in kennis om geen valse herinneringen op te wekken in het kind, dat tot ‘basis’ kan leiden tot een verzoek wegplaatsen van het kind, waarnaast recente wetenschappen aantonen dat een beschermingsmaatregel schadelijke aspecten kent die als contra-indicatief meegewogen dienen te worden bij de rechter, is naar kinderrecht hoogwaardiger kennis nodig dan vanuit slechts het sociaal domein.

Wetenschap over het wegplaatsen van kinderen:

Een zeer beknopte samenvatting van de recente wetenschappelijke bevindingen noemen we hier.

Internist Prof.dr.med. Ursula Gresser schreef en vertelde in 2015 dat kinderen ziek worden waar ze weggeplaatst worden van één of beide ouders. “Na deze publicatie kunnen rechters niet meer zich verschuilen door dit kindbelang te negeren.  De rechter (of gezinsvoogd) die nu nog contactbeschadigend handelt, handelt willens en wetens kind-beschadigend, een vorm van ‘institutionele kindermishandeling’.  Contactsabotage naar ouders maakt kinderen na de scheiding ziek", zegt Ursula Gresser. {Dit geldt zeker ook bij Uithuisplaatsingen, dubbelop}.
 De arts heeft de zes meest recente internationale studies over dit onderwerp geëvalueerd.
"Het verlies van contact met levende ouders schaadt kinderen ongeveer twee keer zo lang en drie keer zo intens als het contactbreuk wegens de dood van een ouder," zegt Gresser. “Het weghouden van ouder(s), de vertrouwde omgeving voor een kind, door middel van bijvoorbeeld vonnissen, gezinsvoogdijbeleid of negatie van het kindbelang, wekt heimwee en andere verschijnselen op in de psyche van het kind.  Ook al zijn de ouder(s) eigenlijk bereikbaar, voor het ontvankelijke kind onder vreemde druk is dat niet zo.”

Joseph J. Doyle jr  vond reeds in 2007 (en later) dat kinderen die ondanks de inzet van de jeugdbescherming om uithuis te plaatsen  met passende hulpverlening thuis mochten blijven veel beter af waren dan die wel weggeplaatst werden, en met vele psychische problemen gingen kampen.

Vond prof. Jo Hermanns dat ook niet in Zeeland?! Hij spreekt ervan dat slechts ca. 25% van de huidige uithuisplaatsingen nog slechts nodig zouden zijn en dat komt overeen met de 72% van de OTS-sen die na 2 jaren nog geen verbetering gaven in het onderzoek van prof. N.W. Slot, terwijl in die 72% een groot deel wel verslechteringen werden gevonden. (Zeelandonderzoek-1 geheel, en Jeugdzorgonderzoek-2 na 9:27 waar gesproken wordt dat 75% wegplaatsen minder kàn).

Ook wetenschappers zoals Warshak, of Weinberger, of Nelson, of Hawley, etc. vonden dat het wegplaatsen van kinderen, weg uit hun vertrouwde omgeving en familie, ernstig schadelijk tot catastrofaal is. Weinberger noemt het een tijdbom. "Het wetenschappelijk bewijs tegen het scheiden van kinderen uit gezinnen is glashelder. Niemand in de wetenschappelijke gemeenschap zou het betwisten, het is niet zoals andere onderwerpen waar meer debat tussen wetenschappers is.  We weten allemaal dat het slecht is als kinderen gescheiden worden van vertrouwde ouders.  Gezien het wetenschappelijke bewijs is het kwaadaardig en komt het neer op kindermishandeling.'’

Rechters behoren zo te wegen:

Daarom zouden rechters moeten beginnen met deze prangende onderzoeksvragen te beantwoorden:

1. Waarom hoeft in verzoeken tot OTS en/of Uithuisplaatsing (UHP) niet uitgelegd en bewezen te worden dat de ouders de ‘aantoonbaar verstrekte voorlichting om een beschermingsmaatregel te voorkomen aantoonbaar niet of duidelijk onvoldoende hebben geaccepteerd? Dit vergeleken met de wettekst:

  • Artikel 255 BW1  lid 1.  "De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling (gezinsvoogdij) indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling èrnstig wordt bedréígd, èn
  • a. de zorg die in verband met het wègnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of ònvoldoende wordt geàccepteerd,  èn
  • b. de verwàchting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn{?}, de veràntwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, {niet?!} in staat zijn te dragen."  – Zelden krijgen ouders bedoelde voorlichting vooraf.

2. Waarom hoeft in verzoeken tot OTS en/of UHP niet bewezen te worden, in volgbare  uitleg, dat de vermeende ‘ernstige bedreiging’ thuis zoveel ernstiger is dan de ernstige schade die bij het uitvoeren van een beschermingsmaatregel wetenschappelijk aangetoond gepaard gaat?

3.  Waarom wordt er geen diagnòstieke nulmeting  – volgens beroepscode – uitgevoegd en als bewijs bij het verzoek naar de kinderrechter verstrekt, zeker wanneer ouders er om vragen c.q. bij onenigheid; en hoe komt het dat er groot verzet is in de jeugdzorgwereld wanneer ouders dan een beroep doen op artikel 810a Rechtsvordering, alsof ouders, met legaal gebruik maken van BW1:247 en artikel 24 lid 1 van het prevalerend internationaal kinderrechten­verdrag, “tegenwerken”, “niet accepteren”?  Het  “niet accepteren” wordt nimmer aangetoond. Het vooraf goed en breed voorlichten, met dan een keuze, ook niet.

4.  Waarom hoeft in verzoeken tot OTS en/of UHP niet uitgelegd te worden op welke basis de verwàchtingen [naar sub  b lid 1  uit BW1:255] door een sociaal werker c.q. jeugdzorgwerker gebaseerd zijn – op de ontwikkelingspsychologische of pedagogische wetenschap?   

5.  Waarom is BW1:265b zo vaag gecodificeerd om een kind door een laagopgeleide bij een G.I. uithuis te mogen plaatsen, terwijl dat wetenschappelijk gezien aan veel duidelijker eisen zou moeten voldoen vanwege de tegenhanger, de [wetenschappelijk] aantoonbare schade  van zulk maatregel?  Hierbij de wettekst gegeven:  BW1:265b lid 1. "Indien dit noodzakelijk is ‘in het belang van de verzorging en opvoeding’ van de minderjarige of tot 'onderzoek' van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de {ondeskundige} gecertificeerde instelling (G.I.), bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen." –{Vaak is dat geen diagnostisch open onderzoek conform IVRK24 lid 1. Daarom zouden ouders voorlichting behoren te krijgen, wanneer ze hoogwaardiger gezondheidszorg wensen, en kennis te hebben van Rv810a. Ouders moeten dus ongezegd zèlf actief zijn op deze  voor hen - zonder voorlichting - onbekende wegen.}  

6.  Hoe komt het dat aan scheidende ouders niet dírect (bij ruzie, bij politie gemeld, of bij inschrijven bij scheidingsrechtbank) een training  van bijv.  Villa Pinedo  wordt aangeboden, en de G.I. bij een omgangs-OTS zich niets aantrekken van voorlichten (BW1:262) en de door G.I.’s verkregen mogelijkheden in https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/omgangssabotage-g-i ? Er wordt veel geklaagd over het afwachten en escaleren door de G.I.. -{Deze vragen zijn ook de RvdK voorgelegd, zonder antwoord/ Awb}.

Geldt dat [prevalerend] artikel 24 lid 1 IVRK wel in de Nederlandse jeugdzorgwereld?

Alle propaganda vanuit de jeugdzorg en jeugdbescherming rept niet over deze basis van hun werk.

Kan men wel vertrouwen op die propaganda, waar dit genegeerd wordt, zo vaak genegeerd wordt, en in ‘antwoorden’ ontweken met vaagheden?


Waar dit allemaal genegeerd wordt in jeugdzorgland, wordt er geld uitgegeven èn tevens schadekosten veroorzaakt.

Dit weten onze kinderrechters niet!